Kennemerstrand.nl
Kennemerstrand
Duinen
Stad
Stad

Natuurcolumn De Haarlemmer.

Vanaf juli 2008 verschijnt van de hand van Niko Buiten in het huis-aan-huis-blad De Haarlemmer maandelijks een natuurcolumn over flora en fauna in en rond Haarlem. Na verschijning in De Haarlemmer worden de columns op deze pagina geplaatst zodat u de gelegenheid heeft deze na te lezen. Bovendien ontstaat er zo een informatief beeld van de natuur in de stad.

Deze natuurcolumns zijn inmiddels verschenen:

 

Huiskrekels in Haarlem.

"Pri...pri..pri-pri..pri....pri...pri", zo klinkt de luide roepzang van het mannetje van de huiskrekel. De normale zang en het meest gehoorde geluid van het mannetje in het veld. In dit geval is het veld het pand dat ik samen met anderen bewoon. Eind augustus hoorde ik het ruim een week. Van laat in de avond tot in de vroege ochtend liet het mannetje zijn luide getsjirp horen. Ik kon er slecht van slapen. Maar omdat het om een eenzaam mannetje ging (vrouwtjes zingen niet), en een plaag niet in het verschiet lijkt te liggen, besloot ik niets te doen. De natuur moet je immers ook ruimte geven.

De huiskrekel (zie foto van Roy Kleukers) is een tot twee centimeter lange geelbruine krekel met opvallende donkere banden op zijn kop. De voorvleugels reiken tot vlakbij de achterlijfspunt, de opgevouwen achtervleugels zitten daar gedeeltelijk onder. Zoals andere krekels laat de huiskrekel zijn raspende geluid horen door met de vleugels over elkaar te wrijven. De rasp (een rij tandjes) op de onderkant van de ene vleugel wordt daarbij over een verdikte nerf op de bovenkant van de andere vleugel bewogen. Het geluid van de huiskrekel is een typisch krekelgeluid. De toonhoogte van de roepzang ligt rond 5 kHz (toonhoogte C5) en is tot op een afstand van veertig tot vijftig meter te horen. De roepzang heeft een functie in de voortplanting. Het lokt het vrouwtje en daarna zal de baltszang het voorspel inluiden. Het is het vrouwtje dat op basis van de zang het voor haar meest geschikte mannetje kiest.

De oorsprong van de huiskrekel is tropisch, vermoedelijk komt hij oorspronkelijk uit het Midden-Oosten. Al lang geleden is de huiskrekel vooral door passieve verspreiding door de mens in onze streken ingeburgerd geraakt, vooral in menselijke omgeving. Thans is de soort over een groot deel van de aarde te vinden. In Nederland is het voorkomen beperkt tot permanent warme plaatsen, zoals warme plaatsen in woonhuizen, kassen, boerderijen, bakkerijen en fabrieken. In warme zomers verspreiden de dieren zich van daaruit en kunnen zij korte tijd buiten voortleven. Daarnaast kan hij ook op vuilstortplaatsen gevonden worden. De luide, melodieuze zang verraadt het voorkomen van deze schuwe soort in ons land. De huiskrekel voedt zich met allerlei afvalstoffen van plantaardige en dierlijke aard.

Omdat huiskrekels vaak als voedsel voor terrariumdieren gekweekt worden, kunnen ontsnapte individuen gemakkelijk nieuwe populaties stichten in flats en woonhuizen. In het boek 'Paardenbijters en mensentreiters', over insecten in Amsterdam, beschrijft ecoloog Geert Timmermans hoe het hem verging toen hij in de slaapkamer in zijn ouderlijk huis een kweekbakje op de grond liet vallen. "Na tien weken begon overal in huis een voorzichtig getsjirp op te klinken. De ontsnapte, bevruchte vrouwtjes hadden eieren gelegd en hieruit waren veel mannetjes geboren. [...] Het nachtelijk concert werd met de dag krachtiger en luidruchtiger. Op een gegeven moment vonden mijn ouders het welletjes. De keus was aan mij, vangen of doodspuiten. Lange tijd ben ik 's-avonds en 's-nachts bezig geweest om huiskrekels achter planken, plinten, onder kasten en tussen vloerdelen weg te vangen. Elke keer als ik dacht: nu heb ik ze allemaal, klonk er weer 'pri...pri...pri'. Uiteindelijk lukte het ze allemaal te vangen. Ik mocht hierna van mijn ouders geen krekels meer kweken."

De huiskrekel komt nauwelijks met andere soorten krekels en de veel op krekels lijkende sprinkhanen voor. De huiskrekel is in Haarlem bekend van de Koninginnebuurt en de Burgwalbuurt. Daarnaast komen buitenshuis op braakliggende terreintjes in de stad en in ruige bermen pioniersoorten als de grote groene sabelsprinkhaan en de bruine sprinkhaan voor. Op vochtige plekken misschien ook het zanddoorntje. Voor de struiksprinkhaan zijn tuinen en parken een belangrijk leefgebied. Hier kunnen ook de boomsprinkhaan en de zuidelijke boomsprinkhaan, die recent vermoedelijk via auto's uit Zuid-Europa in Nederland terecht is gekomen, gevonden worden. Wanneer je je tuin op een meer natuurlijke manier dan gebruikelijk onderhoudt, kun je beloond worden met het verschijnen van meer soorten sprinkhanen.

Wie wil kennis maken met krekels en sprinkhanen in Nederland beveel ik de 'Veldgids krekels en sprinkhanen' (KNNV Uitgeverij, 2004) van Roy Kleukers en René Krekels aan. Het boek bevat een CD met geluiden van alle in ons land levende krekels en sprinkhanen.

Huiskrekel

Foto: Roy Kleukers

(Verschenen 3 september 2009.)

  

Invasieve soorten in Haarlem.

Een invasieve soort is een soort die zich met hulp van de mens buiten zijn natuurlijke verspreidingsgebied heeft gevestigd en daar een bedrieging vormt voor natuur, economie en/of volksgezondheid.

De amerikaanse vogelsoort is zo'n invasieve soort. Deze struik werd in het begin van de vorige eeuw naar Nederland gehaald om onze saaie naaldbossen te verrijken. Maar al snel werd duidelijk dat de amerikaanse vogelkers zich via verspreiding van de pitten door kersenetende vogels rap verder verspreidde en een plaag vormde. Doordat in Nederland de natuurlijke vijanden van deze van oorsprong amerikaanse struik ontbreken, kon de soort zich ongebreideld uitbreiden. In de duinen bij Haarlem vormt hij een bedreiging van de inheemse natuur. Hele duinstruwelen zijn door de amerikaanse vogelkers overwoekerd en afgestorven. Dit proces is nog steeds gaande. Omdat onze duinen internationaal gezien van grote waarde zijn, is het een taak van de duinbeheerders het inheems duin met zijn kenmerkende flora en fauna te behouden. Amerikaanse vogelkers wordt met man en macht bestreden. Alleen al in de Kennemerduinen wordt hieraan jaarlijks ruim honderdduizend euro bresteedt. Als je wilt kun je als vrije tijdsbesteding meehelpen met de bestrijding van de amerikaanse vogelkers.

In de Jan Gijzenvaart, de Delft en de polderslootjes ten westen van de Westelijke Randweg bestrijden het Hoogheemraadschap Rijnland en de gemeente Haarlem nu al zo'n tien jaar de grote waternavel. Deze van oorsprong uit Zuid-Amerika afkomstige waterplant werd in 1994 voor het eerst in Utrecht waargenomen. Daar was een grote waterloop er over een lengte van twee kilometer mee dichtgegroeid. Daarna verspreidde de plant zich snel over Nederland. De verspreiding gaat via afgebroken stukjes van de plant die zich via stromend water of vogels verder verspreiden. Daarom is bestrijding ook zo moeilijk omdat er geen resten van de plant in het water of de oevers mogen achterblijven. De schade die grote waternavel aan de natuur veroorzaakt is dat binnen de laag die grote waternavel op het water vormt en daaronder in het water andere water- en oeverplanten zich niet meer kunnen handhaven. Er ontstaat lichtgebrek waardoor onderwatervegetatie verdwijnt en bij vis en andere waterdieren treedt sterfte op door zuurstofgebrek. Zwemmen en watersport wordt ook moeilijk, wat leidt tot economische schade bij lokale ondernemers.

Een jaar geleden bezocht ik de Schoterveenpolder in Haarlem-Noord om er voor mijn plezier planten te inventariseren. Het was leuk om midden in de stad zo'n poldertje met koeien te zien. Het deed mij denken aan de polders buiten de stand. Maar tot mijn  verbazing vond ik in de slootjes ook enkele opvallende exotische planten, namelijk waterteunisbloem (zie foto), watersla en breed pijlkruid. Het poldertje leek wel een verzamelplaats van planten die ik in de omliggende buurt in tuinvijvers zou kunnen vinden. Blijkbaar gebruiken buurtbewoners het poldertje om er hun overtollige vijverplanten te dumpen. Zonder zich bewust te zijn van de problemen die deze planten in de natuur en voor de economie veroorzaken. Nadat ik de planten met de nodige moeite op naam had kunnen brengen, nam ik, na overleg met enkele deskundigen, contact op met de gemeente om hen over mijn bijzondere vondsten te vertellen. Omdat de gemeente inmiddels goed bekend is met de problematiek van invasieve soorten, werd besloten om alle planten van waterteunisbloem, watersla en breed pijlkruid uit de Schoterveenpolder te verwijderen. Dat gebeurde enkele weken later. Mij werd gevraagd in mijn contacten met deskundigen aan te dringen op een verkoopverbod in tuincentra van deze vijverplanten.

We zijn een jaar verder. Inmiddels is in de duinen bij Overveen in een duinmeertje een groeiplaats van de uit Australië en Nieuw-Zeeland afkomstige invasieve vijverplant watercrassula ontdekt en verwijderd. Tijdens opnamen die ik voor een radioreportage voor Haarlem 105 over dit nieuws maakte hoorde ik dat er plannen zijn om in 2010 of 2011 de verkoop van watercrassula en waterteunisbloem in Nederland te verbieden (je kunt deze reportage opvragen door naar het emailadres van deze column (natuurcolumn<at>kennemerstrand.nl) een mailtje te sturen). Dat is een goede zaak want het verwijderen van groeiplaatsen van invasieve planten in de natuur kost veel geld. Gooi daarom geen planten van invasieve soorten weg in de natuur. Wanneer je in de natuur een groeiplaats van een invasieve soort vindt kun je dat doorgeven op de website www.waarneming.nl .

waterteunisbloem (schoterveenpolder)

Foto: Niko Buiten

(Verschenen 13 augustus 2009.)

  

Vlinders in Haarlem.

Iedereen ziet wel eens vlinders in Haarlem. Je ziet ze in je tuin, in de wegberm, in het park of op het balkon. Vlinders zijn prachtige insecten. Het zijn kleurrijke dieren die herinneren aan bloemen en warme zomerdagen. Zij worden gekenmerkt door een volledige gedaantewisseling van ei via rups en pop tot vlinder.

Vlinders zijn te verdelen in twee groepen: dagvlinders en nachtvlinders. Dagvlinders zijn van nachtvlinders te onderscheiden door hun knotsvormige voelsprieten. In Nederland zijn 109 soorten dagvlinders waargenomen. Daarvan zijn er 70 soorten inheems. Helaas gaat het niet goed met veel van onze inheemse dagvlinders. Zevenenveertig soorten zijn verdwenen uit Nederland of worden daarmee bedreigd.

Vlinders vormen een belangrijke schakel in de natuur. De rupsen eten enorme hoeveelheden planten en worden op hun beurt ook gegeten door onder meer vogels en andere insecten. Vlinders vormen een rol in de bestuiving van planten. Sommige planten, zoals teunisbloemen, bloeien 's-nachts om onder meer nachtvlinders aan te trekken. Iedere vlinder heeft zijn eigen leefomgeving. Er zijn vlinders die leven in bossen, terwijl andere vlinders leven in graslanden of in de duinen. Waar de vlinder voorkomt hangt af van de waardplant waarop de eitjes worden afgezet of de rupsen leven. Er zijn weinig mobiele vlinders, zoals de aardbeivlinder in de duinen, en trekkende vlinders, zoals de uit Afrika afkomstige distelvlinder (zie foto van Henk Bosma), die dit jaar in ons land in grote aantallen gezien wordt.

Afgelopen voorjaar bezocht ik een lezing van de Vlinderwerkgroep Zuid-Kennemerland van de KNNV afdeling Haarlem e.o. Deze werkgroep telt in het zomerhalfjaar wekelijks onder geschikte weersomstandigheden op enige tientallen monitoringroutes in de duinen vlinders en doet ook onderzoek naar de verspreiding van vlinders. De lezing werd gegeven door Kars Veling, een deskundige van de Vlinderstichting uit Wageningen, die goed bekend is met de situatie in Zuid-Kennemerland. Ik bezocht de lezing omdat ik meer over vlinders wilde weten. Ik werd op mijn wenken bediend. Tijdens de lezing vernam ik dat het met veel vlinders in de duinen slecht gaat. Redenen daarvoor vormen onder meer de achteruitgang van schrale, bloemrijke duingraslanden, onder meer door de toename van bos, en klimaatverandering, waar waardplanten van te lijden hebben doordat ze verdrogen. Ja, zelfs met algemeen voorkomende vlinders als de dagpauwoog bleek het slecht te gaan. Eén van de weinige lichtpuntjes is dat sinds enkele jaren in Haarlem en in de duinen het bont zandoogje voorkomt.

De Vlinderstichting is een landelijke natuurbeschermingsorganisatie die zich richt op behoud en herstel van vlinders in Nederland en daar buiten. De organisatie coördineert tellingen, geeft voorlichting en zet projecten voor de bescherming van vlinders op. Tientallen regionale werkgroepen zijn bij de Vlinderstichting aangesloten, zoals de Vlinderwerkgroep Zuid-Kennemerland van KNNV afdeling Haarlem e.o.

Op 1 en 2 augustus aanstaande organiseert de Vlinderstichting de eerste tuinvlindertelling in Nederland. Dat doet de stichting omdat het niet zo goed gaat met de vlinders in ons land. Door de vlinders in je tuin te tellen, kun je meten hoe het met de vlinders in je omgeving is gesteld. "Kennis over aantallen tuinvlinders zijn voor de Vlinderstichting zeer waardevol. Want dat bijzondere vlindersoorten het niet goed doen, wisten we al, maar meer en meer blijkt dat ook onze 'gewone' vlinders van tuinen nog steeds achteruitgaan. Deze kennis kunnen we weer gebruiken voor bescherming", zegt Theo Verstrael, directeur van de Vlinderstichting. Door de gegevens door te geven op de website www.vlindermee.nl kun je bijdragen aan de bescherming van vlinders.

Meedoen aan de tuinvlindertelling is een kleine moeite. Op 1 en 2 augustus tel je de vlinders in je eigen tuin. Alle vlinders die je ziet tel je. Wanneer je mee wilt doen kun je op de website www.vlindermee.nl meer informatie vinden. Wanneer je de smaak te pakken hebt kun je op deze website in de loop van de maand augustus ook doorgeven dat je maandelijks teller wilt worden.

Wanneer je een vlinder of rups gezien hebt en graag wilt weten welke soort het is kun je op de website www.waarneming.nl in het forum vlinders de hulp van deskundigen inroepen. Daarnaast kun je de website www.vlindernet.nl raadplegen voor allerlei achtergrondinformatie en foto's wanneer je de naam weet van de vlinder of rups die je gezien hebt.

Distelvlinder

Foto: Henk Bosma

(Verschenen 16 juli 2009.)

 

Gierzwaluwen in Haarlem.

"Srie-srie", klinkt het hoog in de lucht boven Haarlem. Terwijl nietsvermoedende mensen de winkelstraten bevolken en boodschappen doen, zwieren hoog in de lucht boven hen gierzwaluwen door de lucht. Dit schouwspel is voor de oplettende Haarlemmer jaarlijks in de zomermaanden zichtbaar.

De gierzwaluw (zie foto van J. Schenk) lijkt op een zwaluw, maar behoort niet tot de zwaluwenfamilie, waartoe de boerenzwaluw, de huiszwaluw en de oeverzwaluw behoren. Van deze zwaluwen onderscheidt de gierzwaluw zich onder meer door de langere vleugels en een andere manier van vliegen. De zwartgekleurde gierzwaluw is verwant aan de felgekleurde kolibrie. Bij beide zit de elleboog erg dicht op het lichaam, wat een krachtige vleugelslag mogelijk maakt. Maar daarmee houdt elke overeenkomst ook wel zo ongeveer op. Door hun totaal verschillende levenswijze hebben ze een verschillende lichaamsbouw. De kolibrie vliegt als een helikopter en leeft van nectar die hij uit bloemen haalt. De gierzwaluw daarentegen vliegt als een straaljager. Door de lange vleugels is de vogel zeer wendbaar en hij kan snelheden van ongeveer tweehonderd kilometer per uur halen. De gierzwaluw zoekt, vangt en eet in volle vlucht vliegende insecten die hij met zijn grote bek vangt. Daarvoor zoekt hij luchtlagen op die op dat moment de meeste insecten bevatten. Dat kan soms op kilometers hoogte zijn. Drinken doet de gierzwaluw door al vliegend regendruppels uit de lucht te happen.

Gierzwaluwen overwinteren in tropisch Afrika. Na een vliegtocht van zevenduizend kilometer arriveren begin mei de eerste gierzwaluwen in ons land om hier te broeden. Voor de gierzwaluw zijn de huizen, kantoren, kerken en andere gebouwen waarmee ons land bezaaid is net een natuurlijk rotslandschap met holten waarin hij kan broeden. Als broedvogel komt de gierzwaluw in heel Europa voor. Vaak broeden zij onder daken, en tegenwoordig ook in speciale nestkasten. Gierzwaluwen broeden op plaatsen waar zij vrij in en uit kunnen vliegen. Het nest bestaat uit materiaal dat in de lucht is opgepikt, zoals zaadpluis, veertjes, insecten en zelfs licht plastic, en dat met speeksel aan elkaar wordt gelijmd. Het legsel bestaat uit twee tot vier eieren, die achttien tot twintig dagen door de oudervogels bebroed worden, waarna de jongen na ongeveer veertig dagen uitvliegen. Het voedsel voor de jongen zoeken de oudervogels tot op enige honderden kilometers van hun nest.

De wetenschappelijke naam van gierzwaluw is 'Apus apus', wat 'zonder poten' betekent. Zij hebben dan ook zeer korte pootjes, die ze niet gebruiken om te lopen, maar om zich vast te grijpen aan dakranden en muren. Wanneer een gierzwaluw van zijn nest wil wegvliegen, laat hij zich eerst vallen om snelheid te krijgen. Opvliegen vanaf de grond is voor de gierzwaluw een moeilijke bezigheid. Nou hoeft dat ook niet, want zij brengen bijna hun hele leven vliegend door. Zelfs slapen en paren doen ze in de lucht.

De gierzwaluw is een echte stadsvogel geworden. Een populaire vogel met zijn sierlijke, snelle bewegingen en vorm. Hij is een zomervogel bij uitstek. Mensen genieten als ze de vogels elkaar zien najagen op warme zomeravonden. Maar weinigen beseffen dat de gierzwaluw het moeilijk heeft in onze stad. Door onze verbouwingsdrang raken zij hun nesten kwijt. Volgens schattingen verdwijnen er ongeveer tienduizend nesten per jaar in heel Nederland. Om daar wat aan te doen is rond de eeuwwisseling de landelijke vereniging Gierzwaluwbescherming Nederland opgericht. Deze heeft veel informatie over de gierzwaluw, het bieden van nestgelegenheid en dergelijke op haar website www.gierzwaluwbescherming.nl staan. Daarnaast is in Haarlem bij Vogelwerkgroep Zuid-Kennemerland een gierzwaluwwerkgroep actief. Deze is in het verleden betrokken geweest bij het plaatsen van ruim honderd nestkasten in het Garenkokerskwartier. "De laatste jaren hebben wij ons vooral beziggehouden met het zoeken van nestplaatsen en het vastleggen daarvan", vertelt de coördinator van de werkgroep Martin Hin. "Behalve over het Garenkokerskwartier hebben we gegevens verzameld over de Leidsebuurt, de Kleverparkbuurt en de omgeving van de Cronjéstraat."

Martin Hin vraagt mensen die nestlocaties van gierzwaluwen kennen deze aan hem door te geven. Dat is mogelijk door een email te sturen naar het emailadres van Martin Hin: mhin<at>planet.nl. Verder kan je bij Landschap Noord-Holland de folder 'Geef gierzwaluwen ook woonruimte', van het Gierzwaluwplatform Noord-Holland en Gierzwaluwbescherming Nederland, opvragen. Voor de folder kan je bellen met telefoon 088-0064400.

Gierzwaluw

Foto: J. Schenk

(Verschenen 4 juni 2009.)

  

Stadsvogels in Haarlem.

Haarlem en ander stedelijk gebied zijn voor een aantal vogelsoorten van groot belang als leefgebied. Gezamenlijk gaat deze vogelgroep van stadsvogels in Nederland licht achteruit. Uit tellingen blijkt dat een aantal individuele soorten van deze stadsvogels, zoals de huismus (zie foto), sterk achteruitgaan. Terwijl andere soorten juist vooruitgaan.

Op grond van tellingen in Haarlem kan gesteld worden dat de kauw van de stadsvogels in onze stad de algemeenste vogelsoort is. Dit beeld over het voorkomen van de kauw in Haarlem wordt onderschreven door verscheidene waarnemers. In Haarlem broedt de kauw veelal in groepen in holen in gebouwen en bomen. Jaarlijks legt de kauw één legsel van vier tot zes eieren, die zestien tot zeventien dagen bebroed worden, waarna de jongen na dertig tot vijfendertig dagen uitvliegen.

De zwartgekleurde kauw is kleiner dan de zwarte kraai en groter dan de merel. Hij is te herkennen aan de grijze nek en de lichte iris. De kauw komt voor in groepen of paren. Zij foerageren vaak in groepen in wegbermen en graslanden. Het is een alleseter. Zij eten insecten en zaden, zoals granen, maar ook broodkruimels en etensafval. In de omgeving van mensen kunnen zij vrij gemakkelijk hun voedsel vinden. Zijn hoge intelligentie helpt de kauw snel nieuwe voedselbronnen te vinden.

Van de stadsvogels is de stadsduif misschien wel de meest bijzondere. De stadsduif is nakomeling van de gekweekte vormen van de wilde rotsduif, die niet in Nederland voorkomt. Stadsduiven bereiken hoge dichtheden in stedelijk gebied ondanks tegenwerking van mensen. Zij broeden jaarrond onder soms ongunstige omstandigheden. Zij doen aan partnerselectie. Zij zijn, anders dan gekweekte vormen van de rotsduiven, onderhevig aan natuurlijke selectie. Kortom, stadsduiven zijn natuur. Daarom worden ze sinds enkele jaren ook meegeteld bij vogeltellingen. Stadsduiven komen verspreid in Haarlem voor. Zij broeden vooral onder bruggen en op gevels van gebouwen. Per jaar zijn er twee tot vier legsels van elk twee eieren.

Het verenkleed van stadsduiven is zeer variabel. Sommige zien er uit als hun voorouder de rotsduif. Andere zijn wit of nog anders gekleurd. Zij leven in groepen en planten zich gemakkelijk voort. Stadsduiven zijn opportunisten. Zij voeden zich met zaden en zwerfafval, zoals patat en brood.

De bekendste en sympathiekste stadsvogel is misschien wel de huismus. Wie kent deze brutale rakker niet? Zit je ergens op een terras te genieten van koffie en koek, en wie verschijnt daar? De huismus. Al snel zijn het er meer. En wanneer je even niet oplet, zitten ze aan je koek. Een prachtig schouwspel.

Het mannetje van de huismus heeft een grijze kruin, witte wangen en een zwarte borst. Hij lijkt op de minder algemene ringmus, maar die heeft een bruine kruin en een witte halsring. Het vrouwtje van de huismus is lichter en saaier van kleur. In deze tijd van het jaar zijn huismussen goed te herkennen aan hun getjilp. Waar mensen wonen, voelt ook de huismus zich thuis. Het nest van de huismus bevindt zich meestal onder dakpannen, maar kan ook tussen klimop in holen in bomen en gebouwen gevonden worden. Per jaar legt de huismus twee tot drie legsels met elk vier tot zes eieren, die na ongeveer twaalf dagen uitkomen, waarna de jongen na ongeveer twee weken uitvliegen.

De huismus is een echte zaadeter, maar hun jongen voeden zij met insecten, die over eiwitten voor de groei van hun jongen beschikken. Door de 'vernetting' van ons landschap is voedsel tegenwoordig moeilijker te vinden voor huismussen. Samen met het verdwijnen van geschikte nestgelegenheid, doordat we onze woningen goed isoleren, is dit vermoedelijk één van de oorzaken van de sterke achteruitgang van de huismus. In Haarlem komt de huismus her en der voor, maar kan hij soms moeilijk gevonden worden.

Wie iets wil doen voor onze stadsvogels kan de website van Vogelbescherming Nederland raadplegen. Hier staan allerlei adviezen voor het vogelvriendelijk inrichten van balkon of tuin. Maar je kunt er ook nestkasten en voedsel kopen. Wie het leuk vind om in het voorjaar en zomer stadsvogels te tellen kan terecht op de website van SOVON Vogelonderzoek Nederland. Hier vind je uitgebreide informatie over het telproject MUS, het meetnet urbane soorten. In Haarlem en omgeving worden voor een aantal telgebieden nog tellers gezocht.

Huismus

Foto: SOVON

(Verschenen 7 mei 2009.)

 

Eerder verschenen:

- Parapluutjesmos in Haarlem (verscheen 16 april 2009).

- Stinzenplanten in Haarlem (verscheen 5 maart 2009).

- Handhaving in Haarlem (verscheen op 5 februari 2009).

- Vossen in Haarlem (verscheen 8 januari 2009).

- IJsvogels in Haarlem (verscheen 11 december 2008).

- Ganzen in Haarlem (verscheen 27 november 2008).

- Tijgerslakken in Haarlem (verscheen 9 oktober 2008).

- Paddenstoelen in Haarlem (verscheen 4 september 2008).

- Straatliefdegras in Haarlem (verscheen 14 augustus 2008).

- Slechtvalken in Haarlem (verscheen 17 juli 2008).

 

Alle rechten voorbehouden